Lagere school

De lagere school heet bij ons onderbouw en bestaat uit zes klassen (eerste tot zesde klas). De juf of meester begeleidt uw kind verschillende jaren na elkaar, in principe tot de volledige onderbouw toe. De klasleerkracht geeft bijna alle vakken in zijn/haar klas. Voor muziek, sport, handenarbeid en euritmie komt er een andere leerkracht in de klas.

Schooluren

Wat u ziet in de klas:

De leraar vertelt verhalen die de kinderen helpen de wereld te begrijpen. De verhalen worden zorgvuldig gekozen: ze sluiten aan bij de leeftijdsfase van het kind. Ze passen bij de ontwikkeling van het kind.

De leraar trekt er ook op uit met de leerlingen om de leerstof te beleven. Afstanden afstappen of de omvang van bomen meten. Vervolgens verwerken de kinderen de leerstof in hun eigen schrift. Ze illustreren deze verwerking met eigen tekeningen.

In de lagere school zien leraren erop toe dat ieder kind op zijn eigen tempo kan ontwikkelen.

Visie op ‘wat u ziet in de klas’ (steinerpedagogie):

In de lagere school hebben kinderen een innerlijke drang om de zin der dingen te ontdekken. Het gaat in deze fase echter niet om een wetenschappelijke, intellectuele verklaring. Het kind wil deze zin met zijn gevoel beleven, erdoor beroerd worden, er zich mee vereenzelvigen. Het kind is er nog niet aan toe boven zijn gevoelsmatige verbondenheid met de wereld uit te stijgen en deze in een afstandelijke, logisch-intellectuele samenhang te begrijpen.

De leerstof wordt in de eerste plaats gezien als ontwikkelingsstof: kinderen ontwikkelen zich aan de leerstof. In elk leerjaar is de leerstof aangepast aan de leeftijd, zowel in reken- en taallessen als in de verhalen en in de kunstzinnige verwerking ervan. Elk kind ontwikkelt zich daarbij volgens zijn eigen tempo, aard en temperament; wanneer de stof op kunstzinnige wijze wordt aangebracht zal elk kind op zijn manier aangesproken worden door wat het in de klas hoort, ziet en moet doen. Het is de opdracht voor de leraar om elk moment aan de kinderen van zijn of haar klas af te lezen welke inhoud zij nu nodig hebben. In feite is de leerstof een middel dat de leraar inzet; het doel is dat de leerlingen er zich door ontwikkelen.

Bij alles wat wij doen, ervaren wij de impact van ritmes. Wij kennen allen het grote belang van ritmes in ons leven: in- en uitademen, slapen en waken, … Ook in cognitieve processen speelt het ritme een cruciale rol. Ritme houdt transformatie in, een moment van ‘omzetting’. De bewust gehanteerde afwisseling van vergeten en herinneren wordt wel eens omschreven als een ‘ademend’ ritme.

Daarom hebben de steinerscholen een uniek concept ontwikkeld: het periodeonderwijs. Alle leergebieden worden onderwezen tijdens de eerste uren van de dag in periodes van een drietal weken. Door de leerstof gedurende een periode zo intensief aan te bieden, komt de leerling gemakkelijker tot een intense beleving en verbinding. Na deze weken volgt een evaluatie. Voor vakken als taal en wiskunde zijn er naast die periodes ook gewone oefenuren voorzien, in een wekelijks schema. Deze vakken vragen immers meer oefening en herhaling.  Elk schooljaar heeft een toneelperiode.

Een bijzonder ritme dat doorheen het hele jaar leeft, is het vieren van de jaarfeesten. Voor de kinderen loopt de rode draad van de jaarfeesten door de seizoenen. Telkens weer brengt dit de diepe verbondenheid met de ‘grote gang der dingen’ in herinnering.

Het kunstzinnige is een aspect van de steinerpedagogie dat wellicht het duidelijkst naar buiten toe zichtbaar is. Wat er aan kunstzinnig werk verschijnt, is evenwel eerder gevolg dan einddoel. Het gaat niet zozeer om de realisatie van een breed aanbod van kunstzinnige activiteiten, maar in de eerste plaats om het streven naar het doordringen van elk leergebied, elke leerinhoud en activiteit met het kunstzinnige element. Niet door er iets ‘artistieks’ van buitenaf aan toe te voegen, maar door het onderwerp of de activiteit op basis van zijn eigen wetmatigheden in zijn kunstzinnige vorm te laten verschijnen. Hier is het proces het centrale gegeven, dat dient in te werken op het denken, het voelen en het willen. Door het beleven van schoonheid krijgt het kind de kans een fijner en rijker zielleven te ontwikkelen, en door het beleven van het eigen vermogen schoonheid te scheppen ontwikkelt het grotere innerlijke zekerheid en zelfvertrouwen.

Na de onderbouw groeien de kinderen door naar de middenbouw (zevende en achtste klas) en de bovenbouw (negende tot twaalfde klas).